nieuwsbrief Lilian Bults

Onderstaand mijn artikelen:

2. Bore-out: stressklachten door verveling
1. Impostor syndroom: de angst om door de mand te vallen

Bore-out: stressklachten door verveling

Met een zekere regelmaat meldt zich iemand bij mij met een begeleidingsvraag die in eerste instantie door de werkgever of de klant zelf benoemd wordt als omgaan met burn-out klachten, maar waar het bij nader onderzoek gaat om bore-out klachten.

Waar zitten de verschillen tussen deze fenomenen?

De symptomen lijken erg op elkaar. In beide situaties zijn mensen vermoeid, slapen  slecht, verliezen  hun kracht, concentratie en zelfvertrouwen en zijn geneigd tot piekeren.

De oorzaak van deze klachten heeft echter een geheel andere achtergrond. Daardoor is de aanpak, de methode om de weg terug te vinden naar een krachtige balans tussen inspanning en ontspanning, gespannen zijn en ontspannen zijn, ook een heel andere.

Een burn-out is bij veel mensen bekend, we horen er van in onze omgeving, er wordt over geschreven en het wordt, soms te pas en te onpas, gebruikt in onze taal. Bore-out is minder bekend, maar toch zie ik jaarlijks een aantal cliënten met de verschijnselen van bore-out. Het woord boring duidt op verveling. Dat kan tot verwarring leiden want mensen met deze klachten benoemen juist de druk op het werk  als problematisch. Toch ligt de bron van bore-out  juist bij verveling.

Het gaat hierbij om een langdurige situatie van ondervraging, onderprikkeling en verveling in plaats van om overvraging en overprikkeling zoals dat  bij een burn-out het geval is.

Burn-out

Om duidelijk te kunnen maken wat bore-out is, geef ik eerst een korte omschrijving van burn-out.

In artikelen over burn-out wordt algemeen aangegeven dat 10-15 procent van de werkzame mensen te maken hebben met burn-out klachten. Sommige onderzoekers gaan uit van hogere percentages, bovendien blijkt dat het percentage jaarlijks stijgt.

Deze cijfers maken duidelijk dat burn-out klachten ruim bijdragen aan het ziekteverzuim. Dit geldt voor mannen en vrouwen, jongere en oudere werknemers.

Een burn-out heeft altijd te maken met een overvraging van het lichaam, de psyche en het denken, waardoor er een continue stress in het lichaam ontstaat. Er wordt (te) veel gevraagd van vaardigheden en capaciteiten en vaak in een voor de betrokkene te korte tijd. Er ontstaat overdruk, een disbalans tussen moeten en kunnen, tussen inspanning en ontspanning en tussen belastbaarheid en belasting. Het lichaam maakt bij spanning verschillende stresshormonen aan, de bekendste is adrenaline. Deze stresshormonen brengen ons in een opperste staat van paraatheid. Wanneer dit voortdurend het geval is en stresshormonen niet voldoende afgebroken worden voor de nacht raakt de slaap vaak verstoord. Een gevolg hiervan is onder andere dat men niet uitgerust wakker wordt. De balans inspanning en ontspanning raakt verstoord. Het lichaam en de geest, het denken, kunnen niet meer goed ontspannen. Gevolg is vermoeidheid en een afname van belastbaarheid. We zeggen dan ook wel: “de rek is eruit.” Vergelijk het met een elastiekje dat te lang is uitgerekt. 

Andere veel voorkomende symptomen  zijn onzekerheid, verlies van zelfvertrouwen, piekeren in cirkels, geen mogelijkheden zien om zaken anders aan te pakken, vergeetachtigheid, niet meer kunnen relativeren en ontspannen en de grip op het handelen en denken verliezen. Tot zo ver burn-out.

Bore-out

De naam bore-out is afgeleid van het Engelse boring (=verveling). Een bore-out wordt veroorzaakt door verveling, door onderbelasting, gemis van een reden om alert te zijn, gebrek aan uitdaging en het gemis om af en toe enige stress te ervaren en achteraf trots te kunnen  zijn op wat je hebt overwonnen, wat je is gelukt. 

Wanneer dit gemis aan uitdaging, boeiende werkzaamheden, niet wordt gesignaleerd en er geen aandacht aan wordt geschonken door de persoon in kwestie, collega’s, leidinggevenden of de persoonlijke omgeving, bestaat de kans op stress door frustratie, demotivatie, onzekerheid en ontevredenheid. Er ontstaat dan vanzelf ook een gebrek aan betrokkenheid en de tevredenheid t.a.v. de eigen prestaties neemt af. De volgende stap is de afname van zelfvertrouwen, het gevoel van falen en het niet kunnen voldoen aan de eigen normen aangaande presteren. Er is geen groei en ontplooiing en daardoor een gemis aan voldoening. Iedereen kan dit treffen, maar mensen met een hoog ambitieniveau lopen een groter risico.

Bij een bore-out gaat het net als bij een burn-out over stress,  echter niet veroorzaakt door overprikkeling, overbelasting, maar door onderprikkeling en ondervraging. De stress veroorzaakt de klachten die overeenkomen met de klachten bij een burn-out. De oorzaak is echter totaal verschillend.

In de DSM V (Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders- het diagnostisch en statistisch handboek van psychiatrische aandoeningen) worden bore-out en burn-out nog niet genoemd, waarmee ook de officiële diagnostiek niet eenduidig geregeld is.

Stress, wat is het?  Is stress gezond of ongezond?

Voor de meeste mensen geldt dat we het best presteren bij een beperkte hoeveelheid spanning, stress, ook wel arousal genoemd. We voelen ons dan goed. De situatie daagt ons uit, maakt alert en zet aan tot het uitproberen van nieuwe vaardigheden en het ontdekken van nieuwe mogelijkheden.  Ontplooiing, ontwikkeling en groei worden gestimuleerd. In de onderstaande grafiek is dit weergegeven in de flow-balk.

Flow bore-out

Hans Selye, een Canadees-Oostenrijkse arts en endocrinoloog die in 1936 het wetenschappelijk concept van stress introduceerde, gebruikte ook de term arousal, de activatietoestand van het centrale en autonome zenuwstelsel. Stress of alertheid heeft verschillende vormen. In zijn onderzoek met proefdieren onderzocht Seyle stress in zijn verschillende hoedanigheden en de lichamelijke reacties veroorzaakt door stress.  Seyle definieerde stress als volgt:

‘the nonspecific response of the body to any demand made upon it’

En hier ligt het verwarringspunt in het vaststellen of het gaat om een burn-out of een bore-out. De lichamelijke reactie op iedere vorm van stress, overprikkeling bij burn-out of onderprikkeling bij bore-out, is hetzelfde en daarmee ook de keten van lichamelijke en psychische reacties en gedragingen die deze lichamelijke reacties oproepen.

Selye onderscheidt tijdens zijn onderzoeken duidelijke lichamelijke reacties bij zijn proefdieren, na het creëren van een stressvolle situaties. Deze reacties bestaan uit:

  • verdikking van de bijnierschors
  • afname in grootte van schildklier, milt en lymfeklieren
  • ontstekingen in maag en dunne darm

Hiermee zijn ook andere lichamelijke symptomen bij voortdurende stress te verklaren.

Over het algemeen geldt dat we beter presteren als we een bepaalde mate van opwinding (arousal) ervaren. Zoals de spanning voor een belangrijke presentatie of een sollicitatiegesprek. Teveel opwinding zorgt echter voor vermindering van prestaties.

Selye benoemt naast de fasen in stress ook twee vormen van stress:

  • Euforische stress: als onze prestatie verbetert door toegenomen opwinding spreken we van euforische stress. De adrenaline neemt  toe als we goed presteren, zoals in een voetbalwedstrijd of een spannend gezelschapsspel.
  • Distress: de stress die ontstaat als we te lang over onze grenzen heen gaan.

In ons taalgebruik gebruiken we  de termen positieve spanning of negatieve spanning. Maar als we het over stress hebben, denken we aan een negatieve situatie. Dan denken we aan iets wat slecht is voor ons. Over het algemeen kunnen we zeggen dat alleen te lang aanhoudende  distress vervelende gevolgen kan hebben. Omdat we geneigd zijn alle vormen van stress negatief te labelen wordt er ook vaak een verkeerde zoekrichting ingeslagen bij het vinden van oplossingen als er sprake is van een bore-out, stress door verveling.

(Overigens, ook wanneer er sprake is van een burn-out is het zoeken van activiteiten met arousal, lichte vormen van positieve stress, euforische stress één van de ingangen om het systeem, het samenspel tussen lichaam en psyche een andere weg te bieden naar ontspanning. In zeker zin is bijvoorbeeld mindfulness hier een voorbeeld van. Concentratie, wat gezonde inspanning om je gedachten te beheersen, waardoor er ook ontspanning en rust ontstaat. Bekender is sport: inspannen om daarna beter te kunnen ontspannen. Soms levert wat spanning een gezondere vorm van ontspanning op.)

Hoe onderscheid je een burn-out van een bore-out?

Nu komen we bij mijn drijfveer om dit artikel te schrijven. Burn-out en bore-out zijn moeilijk te onderscheiden en het vraagt om heel geduldig en minutieus doorvragen, uitzoeken van de veranderingen die zijn ontstaan in motivatie en werkplezier en het helpen van de cliënt met het van een afstand kijken naar de eigen situatie. Het uitvragen over wensen en behoeften. Het onderzoeken van aannames en oordelen over zichzelf en het werk op juistheid.

De eerste keer dat ik ontdekte dat er geen sprake was van overvraging, maar juist van ondervraging en dat dit de oorzaak was van het uit balans en voortdurend gestrest zijn, van het verlies van zelfvertrouwen en van slapeloosheid, was ik evenals mijn cliënt heel verrast.

Ik had mijn conclusie in het kennismakingsgesprek eigenlijk al getrokken. De verwijzing van de werkgever, de uitleg van de cliënt en mijn bevindingen lagen op één lijn: het ging natuurlijk om overvraging  en dus om burn-out gerelateerde klachten.

De omstandigheden wezen ook die kant op: Een hoogopgeleide jonge vrouw, twee jonge kinderen, sinds een jaar of vijf een leidinggevende baan met veel verantwoordelijkheid op een kinderafdeling in de zorgsector. Mijn cliënt was direct na haar opleiding in deze baan gerold. Eerst voor vervanging en daarna voor vast. Er was veel werkdruk, er waren problemen rond bezetting en regelmatig was er sprake van moeilijke en ook verdrietige situaties. Je zal het maar moeten doen dacht ik. Petje af voor mensen die al die ballen in de lucht kunnen houden.

Maar mijn conclusie was niet juist!

In het eerste gesprek vroeg ik door op de stressfactoren. Genoemd werd door mijn cliënt: Moeite met veranderingen in beleid, het niet kunnen volgen van de reden van veranderingen, angst om te falen in haar taak, tegenvallende financiële resultaten, het omgaan met artsen die andere belangen leken te hebben dan het verplegend personeel, ontevreden collega’s. “Ach veel geneuzel ook” zei zij. En ik dacht: “ ja, zo kun je je eigen moeite niet serieus nemen en ziek worden.”

Toen ik vroeg hoe en wanneer deze factoren stressfactoren werden, werd het eerst even stil. Daarna gaf mijn cliënt aan dat de situatie langzaam maar zeker veranderde. Er was  een periode geweest waarin alles goed verliep. Iedereen leek tevreden. Het werk verliep soepel. Ook toen vielen de cijfers  niet mee, hadden de artsen andere belangen, maar zij deed haar werk met gemak, ontspannen. Maar het werk, zei ze, was ook niet zo uitdagend.
En die zin deed mij stilstaan bij die periode. Dit was in strijd met mijn leerhypothese voor haar, die voortkwam uit mijn conclusie: Teveel ballen in de lucht moeten houden, overvraagd zijn.
De leerhypothese was in eerste instantie gericht op het vinden van een nieuwe balans tussen inspanning en ontspanning. Leren remmen, een stapje minder hard lopen. Regie krijgen op het omgaan met de veelheid van (werk)vragen.
Mijn cliënt vertelde over de periode van werken op de automatische piloot. Ze voelde zich door een interne reorganisatie waarbij de leidinggevende minder in beeld was, niet gezien. Ze was minder betrokken bij het waarom van veranderingen. Ik hoorde onverschilligheid in haar stem en haar lichaamshouding veranderde. Ze ging achterover zitten en onderdrukte een geeuw.

Na drie coachgesprekken is mijn cliënt in gesprek gegaan met haar leidinggevende. Deze heeft haar naast haar dagelijkse werk een taak als projectleider aangeboden, waar hij niemand voor kon vinden, omdat het een pittige klus was. Zij is nog één keer bij mij langs geweest voor een afrondend gesprek, om terug te kijken en te leren van deze ervaring. Een half jaar na het laatste coachgesprek heb ik haar gebeld en zij gaf aan dat ze vol energie was, haar slaapproblemen waren verdwenen.

Na deze situatie ben ik meer mensen tegengekomen die een echte uitdaging misten en daardoor stressklachten kregen.

In veel gevallen is het niet zo duidelijk en uitgesproken als bij deze cliënt. Vaak spelen er meerdere oorzaken een rol, zoals irritatie over beleid, over veranderingen of iets wat wringt in de privésituatie en is het beeld wat diffuser.

Een man halverwege de veertig in een managementfunctie kwam voor een kennismakingsgesprek. Ik wist nog niet veel van zijn coachvraag; vermoeidheid, niet goed voelen zonder lichamelijke oorzaak. Toen ik hem vroeg naar het gewenste resultaat van een serie coachgesprekken zei hij: “Ik hoop dat jij mij kunt vertellen of ik genoegen moet nemen voor de tweede helft van mijn leven met dit wat er nu voor me is. “ Dat is een mooie start van een verkennend gesprek. Alle levensgebieden, werk, privé, gezin, vrienden, gezondheid, vrije tijd en financiën passeren dan. Want wat speelt er? Wat is inspirerend, geeft voldoening, plezier, flow of biedt een uitdaging? Ondertussen maakte mijn klant een vermoeide en wat gelaten indruk, hij zegt zelf ook; “De maat is vol”.

Tijdens de eerste gesprekken bleek dat zijn werkplezier niet zo groot meer was. Hij kende het kunstje en hij werd op een prettige manier ondersteund door de mensen aan wie hij leiding gaf. Zijn bestuurder ondersteunde hem ook, want iedereen was tevreden met het werk van mijn cliënt. Zijn hobby’s had hij wat laten verwateren, hij was een enthousiast toetsenist en volleyballer.
Hier lag de oplossing. De combinatie van regie op invulling van vrije tijd en regie op het plannen van een vervolgstap voor zijn carrière. Ja hier was ook zeker sprake van bore-out verschijnselen. Terwijl de vraag ging over vermoeidheid en het gevoel van“ de maat is vol”.
Toen we spraken over regie nemen kwam er een blokkade naar voren. Een oude ingesleten angst om je nek uit te steken belemmerde hem om in beweging te komen. Het was goed om dit in de spotlights te zetten en de gedachten hierover op hun actuele waarde te onderzoeken.

Mijn cliënt werkt nu in een andere organisatie. Hij heeft zijn hobby’s weer opgepakt en is maatje geworden voor mensen met een psychische probleem. Het verloop van het coachtraject kreeg een verrassende wending voor hem. En hij kon de tweede helft van zijn leven met meer energie en plezier tegemoet treden.

Van groot belang is het onderzoeken van de bron van de klachten en het verhelderen van de drijfveren van de cliënt.

In de literatuur gaat het vaak over mensen die eentonig, repeterend kantoorwerk doen. Daarmee wordt de indruk gewekt dat het alleen voorkomt bij deze doelgroep. Ik ben juist mensen met bore-out verschijnselen tegengekomen die verantwoordelijke, uitdagende, leidinggevende banen hebben, voor zichzelf de lat hoog leggen, mensen die houden van beweging, soms letterlijk en figuurlijk. Die niet bezig zijn met privé-mails, spelletjes of het zoeken van een nieuwe auto op het internet tijdens hun werk. Maar mensen met een hoog ambitieniveau die hun zelfvertrouwen kwijt zijn geraakt omdat hun honger naar een uitdaging, enige positieve stress en flow in werk en soms ook privé niet gestild werd. Daar kun je dus ziek van worden.

Aandachtspunten voor coaches en werkgevers in het onderzoek naar de oorzaak van de stress klachten: burn-out/bore-out en het zoeken naar de oplossingsrichting.

In de bovenstaande voorbeelden  heb ik beschreven wat het gevaar kan zijn van het stellen van een leerhypothese wanneer deze niet grondig onderzocht is. Doorvragen en nog eens doorvragen tot je in het samenspel en het gesprek tussen cliënt en coach ontdekt wat de bron van de klachten is, de oorzaak van de disbalans waardoor stress ontstond. Het samen onderzoeken van mogelijke externe en interne oorzaken en het samenspel daartussen zorgt ervoor dat het plan van aanpak zich ook kan ontvouwen.

Hieronder  wat voorbeeldvragen en vraagrichtingen:

  • Op welk moment ging het goed? Waarom ging het toen goed? Wat deed je toen? Wat werkte? Waar haalde je werkplezier uit?
  • Wat is er veranderd? Wat waren en zijn jouw gedachten hierover?
  • Kloppen die gedachten? Hebben die gedachten jou geholpen? Zijn jouw gedachten hierover veranderd?
  • Welke veranderingen of situaties hebben jouw beleving van het werk beïnvloed?
  • Waar liggen jouw talenten en wat doe je daarmee in je werk? Komt alles aan bod? Wat wel? Wat niet?
  • Als je even mag wegdromen en je niet meer moe en gestrest voelt, hoe ziet jouw baan, werk er over vijf jaar uit? Wat doe je dan?

Soms werkt het gesprek, als middel, niet goed. In zo’n geval kies ik er bijvoorbeeld voor om een lijst te (laten) maken met energievragers en energiegevers in het werk. Deze stuk voor stuk te onderzoeken en te kijken welke er in de huidige werksituatie missen.

Soms kies ik er voor om met behulp van het inspiratiespel van Gerrickens de inspiratiebronnen of activiteiten waar behoefte aan is, weer in beeld te krijgen. Dan kan de uitkomst vervolgens naast de huidige situatie in het werk worden gelegd.

Ook een onderzoek naar kwaliteiten en valkuilen met het kwaliteitenspel van Gerrickens is een goede start.

In een andere situatie koos ik ervoor om de klant zelf te laten brainstormen over de eigen competenties, kwaliteiten en deze vervolgens uitgebreid te beschrijven vanuit de situatie waarin er nog geen sprake was van de stressfactoren.

Ook systemisch werken, het opstellen van de personen die betrokken zijn bij het werk, kan inzicht geven.

Er zijn vele wegen die naar Rome leiden. Zeker is dat zorgvuldig onderzoek naar de oorzaak van stress van belang is om een goed plan te kunnen maken in de richting van herstel.

Wat surfend op het internet vond ik niet bijzonder veel informatie over bore-out. Enige artikelen in de “zelfhulphoek”. Ieder artikel eindigt met wat tips hoe je een bore-out kunt voorkomen. Daar staan zinvolle tips bij. Ook als hulpmiddel op de weg terug van een bore-out naar een gezonde balans.

Tips om een bore-out te voorkomen en om de weg naar een gezonde balans in te slaan.

Een heleboel strategieën en nieuw aan te leren patronen in denken en handelen die bij de aanpak van burn-out werken, werken ook bij het herstel van bore-out. Naast het opnieuw ontdekken van wat dynamiek en flow kan brengen, waar wensen en voorwaarden voor gezond functioneren liggen in de sfeer van uitdagingen, is ook het kritisch kijken naar een gezonde balans en lichte uitdaging in alle levensgebieden noodzakelijk, omdat de balans meestal in verschillende levensgebieden, deelgebieden verstoord is geraakt.

 Zelfhulptips die ook door de coach ingezet kunnen worden:

  • Welke lessen of leerervaringen uit successituaties zijn voor jou waardevol? Maak een succesboek en lees het iedere avond voor het slapengaan. Het verhoogt je zelfvertrouwen en motiveert je meer succeservaringen na te streven.
    Let op: het gaat niet alleen om successen op werk, denk ook aan prestaties in de brede zin op het gebied van sport, vrijwilligerswerk, gezondheid etc.
  • Schrijf op welke talenten je hebt (of had), en vraag je af of ze in je huidige functie benut worden. Kijk naar wat je wel kunt. Vraag tenminste 5 mensen in je omgeving om 3 kwaliteiten of talenten van jou te noemen. Dit kan je helpen om beter zicht te krijgen op waar je goed in bent.
  • Bedenk vervolgens hoe je deze talenten en kwaliteiten kunt en wilt inzetten in je leven. Ga op zoek naar een manier om je talenten te benutten. Dit resulteert vaak in werk wat leuk en bevredigend is. Doe iets waar je goed in bent, en zorg dat je er nog beter in wordt.
  • Neem kleine stapjes. Bedenk welk eerste kleine stapje je kunt zetten in de richting van jouw gewenste werk of leven. Bedenk dat 100 kleine stapjes leiden naar een groot resultaat. Stel kleine doelen: als het lukt, motiveert het je verder te gaan.
  • Stel je voor dat je niets verandert. Hoe zit je er dan over tien jaar bij? En wil je dat?
  • Ga praten met je meerdere en vraag of er mogelijkheden zijn om je functie aan te passen.
  • Laat je inspireren.  Zoek een rolmodel,  lees inspirerende boeken, bezoek seminars.
  • Zoek gewoonten die je vooruit helpen. Luister naar je lievelingsmuziek, drink je favoriete drank of ga vaker naar de sportschool. Bewegen is een grote remedie tegen down zijn.
  • Zet de eerste stap. Nu. Als je langer wacht dan 24 uur met het uitvoeren van een idee, gebeurt het nooit. Zoek uit welke kanten van je werk, je leven, je het minst leuk vindt en bekijk of je dit aspect kunt beïnvloeden.

Literatuur:

Houdenhove van, B. (2007) | In wankel evenwicht | ISBN 9020960202
Marien, H. (2016) | Ik ben (het) zo moe | ISBN 9789089316073
Mewe, F.  (2016) | Wat ze je niet vertellen over een bore-out  | Vrouw & Passie
Karsten, K. (2011)| Daar ga ik weer! Herken je stresstype | ISBN 9789021550329
Karsten, K. (2010) | Symptomen van bore-out herkennen en bestrijden | Intermediair
Rothlin, P. en Werder, P.  (2009) | Bore out, als verveling je werk wordt | ISBN 9789049102197
Schaper, F. (2007) | Eerste hulp bij stress en vermoeidheid | ISBN 9789055945078
Vermeulen, F. (2015) |Vechten tegen verveling | ISBN 9789089243782

 

 

De angst om door de mand te vallen: het Impostor syndroom

“De diploma’s kloppen, de vaardigheden zijn aanwezig, de leidinggevende is tevreden, maar toch… met een zekere regelmaat bekruipt me het gevoel niet te voldoen, een bedrieger te zijn”.

Een typering uit de dagelijkse praktijk van mijn bedrijf, een voorbeeld dat verwijst naar het zogenaamde ”Impostor syndrome”. Letterlijk vertaald: Het oplichters- of bedriegerssyndroom, ook wel “de vloek van slimme mensen” genoemd.

Kenmerken van dit syndroom

Er zijn twee hoofdkenmerken van het Impostor syndroom te onderscheiden:

  1. Mensen met dit syndroom hebben het gevoel dat ze leidinggevenden en collega's voor de gek houden, dat ze zomaar door de mand kunnen vallen, dat ze maar iets doen. Zij ervaren hun activiteiten als een vorm van bedriegen en ze vrezen dat dit “bedriegen” door anderen ontdekt kan worden. 
  2. Een ander kenmerk van dit syndroom is dat je het idee hebt dat het succes dat behaald wordt niet door eigen toedoen ontstaat maar door geluk, door een toevallige samenloop van gunstige omstandigheden. Naar het gevoel van de betrokkene worden mislukkingen veroorzaakt door persoonlijk onvoldoende presteren of door gebrek aan kennis. 

Het gevolg is dat het vertrouwen in eigen capaciteiten niet opgebouwd wordt. Persoonlijke succeservaringen worden niet verzameld. Rationeel weet  iemand dat de capaciteiten voldoende zijn. De papieren bewijzen het immers. Maar het gevoel is anders. Stadelmaier*, omschrijft het als volgt: “het impostor syndrome verwijst naar een gevoel van bedriegen waarbij iemand zich een fraudeur voelt en zichzelf niet competent acht, ondanks het feit dat er objectief bewijs van competenties is, bijvoorbeeld in de vorm van diploma’s of persoonlijke prestaties”.

Toen ik voor het eerst onderzoekuitslagen zag met betrekking tot dit syndroom was ik verbaasd over de hoge percentages waarmee dit fenomeen voorkomt. Vijftig procent van de hoogopgeleide vrouwen en een iets minder hoog percentage van de hoogopgeleide mannen heeft te maken met dit syndroom.

Tevens was ik verbaasd over de relatieve onbekendheid. De afgelopen decennia zijn er een aantal artikelen, verslagen van onderzoeken en een aantal boeken over dit thema verschenen. Er is meer onderzoek gedaan naar het impostor syndroom bij vrouwen dan bij mannen. Voor de duidelijkheid, het syndroom wordt niet beschreven in de DSM-5, het diagnostisch en statistisch handboek van psychiatrische aandoeningen. Het wordt niet beschouwd als een psychiatrische stoornis. Het impostor syndroom is niet iets om je ongerust over te maken, meer iets waar je mee moet leren omgaan. En soms is het goed daar wat hulp bij te krijgen.

In 1978 werd het impostor syndroom voor het eerst beschreven door twee klinisch psychologen, Clance en Imes. Zij zagen verschillende soorten reacties en gedragingen bij vrouwen met dit syndroom:

  • IJver: Hard werken om te voorkomen dat men het “bedriegen” ontdekt. Dit harde werken leidt vaak tot meer lof en succes binnen de werksituatie. Het oplichtersgevoel en de angst "door de mand te vallen" blijft echter in stand. 
  • Onecht zijn: Een vrouw met oplichtersgevoelens tracht vaak aan leidinggevenden gewenste antwoorden te geven, wat kan leiden tot een groeiend gevoel van "onecht" zijn.
  • Charme: Het intuïtieve waarnemingsvermogen en charme gebruiken om goedkeuring en waardering te krijgen van leidinggevenden. Wanneer de leidinggevende erkenning geeft, voelt het alsof deze lof gebaseerd is op charme en niet op kundigheid.
  • Zelfvertrouwen niet tonen: Een andere manier waarop de oplichtersgevoelens in stand worden gehouden is door het zelfvertrouwen te verbergen. Het geloof in eigen intelligentie en vaardigheden zou afwijzing door anderen tot gevolg kunnen hebben.  

De praktijk

Als coach en adviseur kom ik deze reacties en gedragingen regelmatig tegen, zowel bij vrouwen als bij mannen. Ik ben geneigd dit syndroom te beschouwen als een cultuurverschijnsel. Maar ik mis gedegen wetenschappelijk onderzoek naar het verband tussen culturele factoren en dit bedriegerssyndroom. Het is interessant deze verbanden (nader) te onderzoeken. 

De bron van het ontstaan van dit lastige syndroom kan aanwijzingen geven aan de coach voor het startpunt van de begeleiding en de keuze van de methodiek. Wat is de aanleiding geweest waardoor de feitelijke werkelijkheid -in de vorm van diploma’s, bewezen competenties- niet in overeenstemming is met het gevoel van eigenwaarde als het gaat om werk, het leveren van prestaties.

De afgelopen jaren wordt er in artikelen wel voorzichtig een aantal externe factoren genoemd die van invloed zouden kunnen zijn: 

  • Een strenge opvoeding als voedingsbodem voor het impostor syndroom. 
  • Maatschappelijke veranderingen zoals verschuivingen van typische  mannen- en vrouwenberoepen, het missen van rolmodellen tijdens de (beroeps)socialisatie. 
  • De prestatiemaatschappij: niet wie je bent is het belangrijkste maar wat je doet en of het slaagt. 

In mijn werk zie ik het gedrag passend bij dit syndroom regelmatig. Op dit moment bij een drietal cliënten, alle drie hoogopgeleide vrouwen waarvan één cliënt starter is op de arbeidsmarkt. Bij de start van het begeleidingstraject labelt één van deze drie cliënten zichzelf in de richting van het impostor syndroom. Mijn eerste neiging is toch de begeleidingsvraag te duiden als onzekerheid, maar daar kom ik er als coach niet mee. Cognitief weten deze cliënten dat ze de capaciteiten in huis hebben om hun baan met succes te kunnen uitvoeren. De diploma’s kloppen en op een test over zelfvertrouwen wordt ruim voldoende gescoord. Rationeel zijn de capaciteiten in beeld. Het gevoel en gedrag  komen echter niet overeen met de rationele situatie.

In de werksituatie scoorde één van deze cliënten bij een anoniem tevredenheidsonderzoek een 7.8. Haar reactie was: “Dat is nog niet echt goed, want een 8 is goed” en tegen mij: “Vergeet niet dat de klanten een afhankelijkheidsrelatie met mij hebben”. Haar leidinggevende vertelde  dat een 7 haar streven was bij dit onderzoek. Mijn cliënt was perplex.
Haar streven was een royale 8 en zij had dit gegeven als algemeen en gedragen door de organisatie voorondersteld. Het voldoen aan de eisen van de organisatie werd hier feitelijk aangetoond wat tot enige acceptatie bij mijn cliënt leidde. Het impostorgevoel blijft echter een rol spelen, het wantrouwen in zichzelf is niet verdwenen.

Als reactie op het gevoel een bedrieger te zijn, het niet verdienen van de titel, functie, verantwoordelijkheden en de bijbehorende successen, zie ik twee coping- of overleefstrategieën: 

  • Vluchten voor dit gevoel om ieder moment door de mand te kunnen vallen door een baan of takenpakket onder het niveau van de aanwezige capaciteiten te ambiëren.
  • Vechten, de lat erg hoog leggen, perfectionisme nastreven.

In het eerste geval, het vluchten, zie ik dat mensen verveeld raken, zinbeleving en plezier in hun werk gaan missen. Mijn cliënt: “Mijn werkgever is niet enthousiast over mijn werk terwijl het kwalitatief heel erg goed is, soms beter dan dat wat hij zelf aflevert.” Er is een gebrek aan bevestiging, vaak omdat de leidinggevende of een collega ziet dat de persoon in kwestie meer zou kunnen. Onvrede, onzekerheid en soms gevoelens van verveling, bore-out*, zijn het gevolg. Ook de impostor gevoelens worden onderhouden en versterkt door dit mechanisme.

In het tweede geval wordt de lat torenhoog gelegd. Dat leidt tot grenzeloosheid in werken en doorzetten. Omdat de successen niet als een persoonlijke beloning voor het harde werken worden ervaren, maar meer als een kwestie van geluk of goede hulp op het juiste moment, volgt er na het harde werken niet de beloning die nodig is om weer op te laden. De kans op burn-out klachten wordt hierdoor vergroot, en de impostor gevoelens worden ook bij deze overleefstrategie versterkt.

Therapieën

In onderzoeken en artikelen worden een tweetal heel verschillende therapieën voor mensen die last ervaren door het impostor syndroom genoemd:  

  • Coherentietherapie. Uitgangspunt is dat wat op onbewust emotioneel niveau geleerd is, de persoon aanzet om met een bepaald gevoel of overtuiging te reageren en te handelen. Helpend is om te leren zien dat de zelfonderschatting niet overeenkomt met de wezenlijke emotionele zelfkennis. 
  • Een andere genoemde therapievorm is de schrijftherapie. Deze therapievorm stelt iemand in staat de gedachten te ordenen door te schrijven. Het geschreven verslag van de eigen objectieve prestaties biedt de persoon de mogelijkheid om de beleving met de realiteit te verbinden, in plaats van ze eenvoudig af te wijzen. Het verslag kan de persoon later ook aan de prestaties herinneren. Zo draagt schrijftherapie eraan bij het gevoel van tekortschieten te verminderen.

Mijn aanpak als coach en supervisor is ook gevoed door bovenstaande inzichten. Natuurlijk is het afhankelijk van de startpositie van de cliënt en van de last die iemand ervaart van de impostorgevoelens.

De volgende onderwerpen komen aan bod in de begeleidingsgesprekken:

  • Het bewust worden van de discrepantie tussen het weten en het voelen als het gaat om het eigen functioneren.
  • Een onderzoek naar hoe het gesteld is met zelfvertrouwen en zelfwaardering.
  • Van welke eigen kwaliteiten is de cliënt zich bewust en in hoeverre worden deze kwaliteiten, zowel rationeel als gevoelsmatig, positief gewaardeerd. 
  • Verzamelen van feiten en concrete ervaringen tav de werksituatie.
  • Het bewust worden, kunnen plaatsen in de tijd, onderzoeken en opnieuw beoordelen op bruikbaarheid van aannames, overtuigingen, gevoelens en reactiepatronen met betrekking tot het eigen functioneren.
  • Het onderzoeken van het zelfbeeld op zijn juistheid nu de langgekoesterde aannames en overtuigingen opnieuw zijn overwogen.
  • Welke acties kunnen helpen om ruimte te maken voor nieuwe inzichten, een nieuw beeld.
  • Het vormgeven van een nieuw reëel (gevoels)beeld van de eigen capaciteit. 

Bij deze benadering helpt schrijven om het inzicht in eigen gedrag te vergroten en feiten en gevoel te onderscheiden en vandaaruit een nieuw denkkader en beeld over het eigen functioneren op te bouwen. 

Als zo’n groot percentage van hoogopgeleide vrouwen en mannen kampen met een irreëel zelfbeeld, dus last ervaren van het impostor syndroom, dan is het zinvol kennis te nemen van dit syndroom en de bijbehorende valkuilen. Een standaard benadering afgestemd op het vergroten van het zelfvertrouwen en het versterken van een reëel zelfbeeld volstaat niet. Het benaderen van vrouwen en mannen met deze vraagstelling vraagt om specifieke kennis en een weldoordachte aanpak.

 * verwijzing naar het literatuuroverzicht

Literatuur:

Bruin, Ellen de (13-02-2016) | Ooit val ik door de mand | NRC
Pels, Dorien (1-10-2007) | Vrouwen zijn ijverig en mannen briljant  | Trouw
Reitz, Megan (07-01-2015) | Science gives new insights into overcoming imposter | Ashridge executive education | www.ashridge.org.uk 
Stadelmaier, Vreneli (2014) | F*ck die onzekerheid  | ISBN 9789 0351 4266 4
Veld, Simone (2009) | Wanneer val ik door de mand? |  Newsletter for PhD students and postdocs, Universiteit Utrecht OGC
Vonk, Roos (2014) | Je bent wat je doet | ISBN 9789 4918 4501 7
Wiebes, Hedwig (23-03-2016) | Het oplichterssyndroom,  ‘De vloek van slimme mensen’. | Volkskrant
Wilde, May de (juni 2016) | Zei een ander ook maar eens: ‘Ik doe maar wat’ | Arts in spé