Spring naar content

“De diploma’s kloppen, de vaardigheden zijn aanwezig, de leidinggevende is tevreden, maar toch… met een zekere regelmaat bekruipt me het gevoel niet te voldoen, een bedrieger te zijn”.

Een typering uit de dagelijkse praktijk van mijn bedrijf, een voorbeeld dat verwijst naar het zogenaamde ”Impostor syndrome”. Letterlijk vertaald: Het oplichters- of bedriegerssyndroom, ook wel “de vloek van slimme mensen” genoemd.

Kenmerken van dit syndroom

Er zijn twee hoofdkenmerken van het Impostor syndroom te onderscheiden:

  1. Mensen met dit syndroom hebben het gevoel dat ze leidinggevenden en collega’s voor de gek houden, dat ze zomaar door de mand kunnen vallen, dat ze maar iets doen. Zij ervaren hun activiteiten als een vorm van bedriegen en ze vrezen dat dit “bedriegen” door anderen ontdekt kan worden. 
  2. Een ander kenmerk van dit syndroom is dat je het idee hebt dat het succes dat behaald wordt niet door eigen toedoen ontstaat maar door geluk, door een toevallige samenloop van gunstige omstandigheden. Naar het gevoel van de betrokkene worden mislukkingen veroorzaakt door persoonlijk onvoldoende presteren of door gebrek aan kennis. 

Het gevolg is dat het vertrouwen in eigen capaciteiten niet opgebouwd wordt. Persoonlijke succeservaringen worden niet verzameld. Rationeel weet  iemand dat de capaciteiten voldoende zijn. De papieren bewijzen het immers. Maar het gevoel is anders. Stadelmaier*, omschrijft het als volgt: “het impostor syndrome verwijst naar een gevoel van bedriegen waarbij iemand zich een fraudeur voelt en zichzelf niet competent acht, ondanks het feit dat er objectief bewijs van competenties is, bijvoorbeeld in de vorm van diploma’s of persoonlijke prestaties”.

Toen ik voor het eerst onderzoekuitslagen zag met betrekking tot dit syndroom was ik verbaasd over de hoge percentages waarmee dit fenomeen voorkomt. Vijftig procent van de hoogopgeleide vrouwen en een iets minder hoog percentage van de hoogopgeleide mannen heeft te maken met dit syndroom.

Tevens was ik verbaasd over de relatieve onbekendheid. De afgelopen decennia zijn er een aantal artikelen, verslagen van onderzoeken en een aantal boeken over dit thema verschenen. Er is meer onderzoek gedaan naar het impostor syndroom bij vrouwen dan bij mannen. Voor de duidelijkheid, het syndroom wordt niet beschreven in de DSM-5, het diagnostisch en statistisch handboek van psychiatrische aandoeningen. Het wordt niet beschouwd als een psychiatrische stoornis. Het impostor syndroom is niet iets om je ongerust over te maken, meer iets waar je mee moet leren omgaan. En soms is het goed daar wat hulp bij te krijgen.

In 1978 werd het impostor syndroom voor het eerst beschreven door twee klinisch psychologen, Clance en Imes. Zij zagen verschillende soorten reacties en gedragingen bij vrouwen met dit syndroom:

  • IJver: Hard werken om te voorkomen dat men het “bedriegen” ontdekt. Dit harde werken leidt vaak tot meer lof en succes binnen de werksituatie. Het oplichtersgevoel en de angst “door de mand te vallen” blijft echter in stand. 
  • Onecht zijn: Een vrouw met oplichtersgevoelens tracht vaak aan leidinggevenden gewenste antwoorden te geven, wat kan leiden tot een groeiend gevoel van “onecht” zijn.
  • Charme: Het intuïtieve waarnemingsvermogen en charme gebruiken om goedkeuring en waardering te krijgen van leidinggevenden. Wanneer de leidinggevende erkenning geeft, voelt het alsof deze lof gebaseerd is op charme en niet op kundigheid.
  • Zelfvertrouwen niet tonen: Een andere manier waarop de oplichtersgevoelens in stand worden gehouden is door het zelfvertrouwen te verbergen. Het geloof in eigen intelligentie en vaardigheden zou afwijzing door anderen tot gevolg kunnen hebben.  

De praktijk

Als coach en adviseur kom ik deze reacties en gedragingen regelmatig tegen, zowel bij vrouwen als bij mannen. Ik ben geneigd dit syndroom te beschouwen als een cultuurverschijnsel. Maar ik mis gedegen wetenschappelijk onderzoek naar het verband tussen culturele factoren en dit bedriegerssyndroom. Het is interessant deze verbanden (nader) te onderzoeken. 

De bron van het ontstaan van dit lastige syndroom kan aanwijzingen geven aan de coach voor het startpunt van de begeleiding en de keuze van de methodiek. Wat is de aanleiding geweest waardoor de feitelijke werkelijkheid -in de vorm van diploma’s, bewezen competenties- niet in overeenstemming is met het gevoel van eigenwaarde als het gaat om werk, het leveren van prestaties.

De afgelopen jaren wordt er in artikelen wel voorzichtig een aantal externe factoren genoemd die van invloed zouden kunnen zijn: 

  • Een strenge opvoeding als voedingsbodem voor het impostor syndroom. 
  • Maatschappelijke veranderingen zoals verschuivingen van typische  mannen- en vrouwenberoepen, het missen van rolmodellen tijdens de (beroeps)socialisatie. 
  • De prestatiemaatschappij: niet wie je bent is het belangrijkste maar wat je doet en of het slaagt. 

In mijn werk zie ik het gedrag passend bij dit syndroom regelmatig. Op dit moment bij een drietal cliënten, alle drie hoogopgeleide vrouwen waarvan één cliënt starter is op de arbeidsmarkt. Bij de start van het begeleidingstraject labelt één van deze drie cliënten zichzelf in de richting van het impostor syndroom. Mijn eerste neiging is toch de begeleidingsvraag te duiden als onzekerheid, maar daar kom ik er als coach niet mee. Cognitief weten deze cliënten dat ze de capaciteiten in huis hebben om hun baan met succes te kunnen uitvoeren. De diploma’s kloppen en op een test over zelfvertrouwen wordt ruim voldoende gescoord. Rationeel zijn de capaciteiten in beeld. Het gevoel en gedrag  komen echter niet overeen met de rationele situatie.

In de werksituatie scoorde één van deze cliënten bij een anoniem tevredenheidsonderzoek een 7.8. Haar reactie was: “Dat is nog niet echt goed, want een 8 is goed” en tegen mij: “Vergeet niet dat de klanten een afhankelijkheidsrelatie met mij hebben”. Haar leidinggevende vertelde  dat een 7 haar streven was bij dit onderzoek. Mijn cliënt was perplex.
Haar streven was een royale 8 en zij had dit gegeven als algemeen en gedragen door de organisatie voorondersteld. Het voldoen aan de eisen van de organisatie werd hier feitelijk aangetoond wat tot enige acceptatie bij mijn cliënt leidde. Het impostorgevoel blijft echter een rol spelen, het wantrouwen in zichzelf is niet verdwenen.

Als reactie op het gevoel een bedrieger te zijn, het niet verdienen van de titel, functie, verantwoordelijkheden en de bijbehorende successen, zie ik twee coping- of overleefstrategieën: 

  • Vluchten voor dit gevoel om ieder moment door de mand te kunnen vallen door een baan of takenpakket onder het niveau van de aanwezige capaciteiten te ambiëren.
  • Vechten, de lat erg hoog leggen, perfectionisme nastreven.

In het eerste geval, het vluchten, zie ik dat mensen verveeld raken, zinbeleving en plezier in hun werk gaan missen. Mijn cliënt: “Mijn werkgever is niet enthousiast over mijn werk terwijl het kwalitatief heel erg goed is, soms beter dan dat wat hij zelf aflevert.” Er is een gebrek aan bevestiging, vaak omdat de leidinggevende of een collega ziet dat de persoon in kwestie meer zou kunnen. Onvrede, onzekerheid en soms gevoelens van verveling, bore-out*, zijn het gevolg. Ook de impostor gevoelens worden onderhouden en versterkt door dit mechanisme.

In het tweede geval wordt de lat torenhoog gelegd. Dat leidt tot grenzeloosheid in werken en doorzetten. Omdat de successen niet als een persoonlijke beloning voor het harde werken worden ervaren, maar meer als een kwestie van geluk of goede hulp op het juiste moment, volgt er na het harde werken niet de beloning die nodig is om weer op te laden. De kans op burn-out klachten wordt hierdoor vergroot, en de impostor gevoelens worden ook bij deze overleefstrategie versterkt.

Therapieën

In onderzoeken en artikelen worden een tweetal heel verschillende therapieën voor mensen die last ervaren door het impostor syndroom genoemd:  

  • Coherentietherapie. Uitgangspunt is dat wat op onbewust emotioneel niveau geleerd is, de persoon aanzet om met een bepaald gevoel of overtuiging te reageren en te handelen. Helpend is om te leren zien dat de zelfonderschatting niet overeenkomt met de wezenlijke emotionele zelfkennis. 
  • Een andere genoemde therapievorm is de schrijftherapie. Deze therapievorm stelt iemand in staat de gedachten te ordenen door te schrijven. Het geschreven verslag van de eigen objectieve prestaties biedt de persoon de mogelijkheid om de beleving met de realiteit te verbinden, in plaats van ze eenvoudig af te wijzen. Het verslag kan de persoon later ook aan de prestaties herinneren. Zo draagt schrijftherapie eraan bij het gevoel van tekortschieten te verminderen.

Mijn aanpak als coach en supervisor is ook gevoed door bovenstaande inzichten. Natuurlijk is het afhankelijk van de startpositie van de cliënt en van de last die iemand ervaart van de impostorgevoelens.

De volgende onderwerpen komen aan bod in de begeleidingsgesprekken:

  • Het bewust worden van de discrepantie tussen het weten en het voelen als het gaat om het eigen functioneren.
  • Een onderzoek naar hoe het gesteld is met zelfvertrouwen en zelfwaardering.
  • Van welke eigen kwaliteiten is de cliënt zich bewust en in hoeverre worden deze kwaliteiten, zowel rationeel als gevoelsmatig, positief gewaardeerd. 
  • Verzamelen van feiten en concrete ervaringen tav de werksituatie.
  • Het bewust worden, kunnen plaatsen in de tijd, onderzoeken en opnieuw beoordelen op bruikbaarheid van aannames, overtuigingen, gevoelens en reactiepatronen met betrekking tot het eigen functioneren.
  • Het onderzoeken van het zelfbeeld op zijn juistheid nu de langgekoesterde aannames en overtuigingen opnieuw zijn overwogen.
  • Welke acties kunnen helpen om ruimte te maken voor nieuwe inzichten, een nieuw beeld.
  • Het vormgeven van een nieuw reëel (gevoels)beeld van de eigen capaciteit. 

Bij deze benadering helpt schrijven om het inzicht in eigen gedrag te vergroten en feiten en gevoel te onderscheiden en vandaaruit een nieuw denkkader en beeld over het eigen functioneren op te bouwen. 

Als zo’n groot percentage van hoogopgeleide vrouwen en mannen kampen met een irreëel zelfbeeld, dus last ervaren van het impostor syndroom, dan is het zinvol kennis te nemen van dit syndroom en de bijbehorende valkuilen. Een standaard benadering afgestemd op het vergroten van het zelfvertrouwen en het versterken van een reëel zelfbeeld volstaat niet. Het benaderen van vrouwen en mannen met deze vraagstelling vraagt om specifieke kennis en een weldoordachte aanpak.

 * verwijzing naar het literatuuroverzicht

Literatuur:

Bruin, Ellen de (13-02-2016) | Ooit val ik door de mand | NRC
Pels, Dorien (1-10-2007) | Vrouwen zijn ijverig en mannen briljant  | Trouw
Reitz, Megan (07-01-2015) | Science gives new insights into overcoming imposter | Ashridge executive education | www.ashridge.org.uk 
Stadelmaier, Vreneli (2014) | F*ck die onzekerheid  | ISBN 9789 0351 4266 4
Veld, Simone (2009) | Wanneer val ik door de mand? |  Newsletter for PhD students and postdocs, Universiteit Utrecht OGC
Vonk, Roos (2014) | Je bent wat je doet | ISBN 9789 4918 4501 7
Wiebes, Hedwig (23-03-2016) | Het oplichterssyndroom,  ‘De vloek van slimme mensen’. | Volkskrant
Wilde, May de (juni 2016) | Zei een ander ook maar eens: ‘Ik doe maar wat’ | Arts in spé

Scroll naar boven